Cursus ASP : Subroutines en functies
Een zin met een subroutine.
Een zin met een subroutine.
Een zin met een subroutine.
Een zin met een subroutine met argument.
Een zin met een subroutine met argument.
Een zin met een subroutine met argument.
Een zin met een subroutine met argument.
Het kwadraat van 5 = 25
Code :

schrijfzin schrijfzin schrijfzin schrijfzin2(4) response.write "Het kwadraat van 5 = " &kwadraat(5) Sub schrijfzin response.write "Een zin met een subroutine.<BR>" End Sub Sub schrijfzin2(aantal) for i = 1 to aantal response.write "Een zin met een subroutine met argument.<BR>" next End sub Function kwadraat(getal) kwadraat = getal * getal end Function
Uitleg :

Met subroutines kan je een groep opdrachten een naam geven. Je kan nu die opdrachten zo vaak uitvoeren als je wil door enkel de naam van de subroutine op te geven. De groep opdrachten plaats je tussen sub naam en end sub. Je kan aan subroutines ook argumenten meegeven (by value). Een groep opdrachten met een returnwaarde (bv. voor berekeningen) plaats je best in een functie. Zo kan je berekeningen die je vaak wenst uit te voeren een naam geven. De berekening voer je uit door de functienaam en eventuele argumenten op te geven. Binnen de functie zorg je er dan voor dat het functieresultaat (= naam van de functie) een waarde toegewezen krijgt.